Een jongen en zijn staat', in Mensen Kijken,
red. Kees Bruin et al, Amsterdam: Walters-Nordhoff, 1998: 106-109.
Robert van Krieken.
Deze twee foto's uit 1911 zijn mij altijd bijgebleven
als kenmerkend voor enkele zeer fundamentele vragen betreffende sociale
verandering, staatsvorming, vooruitgang, civilisatie en de raakvlakken tussen
dat alles en de levens van individuele mensen. Ze verschenen in het jaarverslag
van de New South Wales State Children Relief Board. Het zijn
twee `ervoor en erna' kiekjes, bedoeld om de wereld te laten weten wat deze
staatsinstelling voor de kinderzorg deed. Het was een visuele weergave van
de beschrijvingen en de argumentaties in de begeleidende tekst, waarin het
gaat over de productie van `goede en nuttige mannen en vrouwen', over misdaadpreventie
en armoede en over de morele verbetering van verwaarloosde en misbruikte
kinderen.
De eerste foto geeft het leven weer voordat de staat tussenbeide kwam: hij
toont een bepaalde sociale en morele toestand van zowel potentiële
als werkelijk aanwezige degeneratie, zedeloosheid, armoede en barbaarsheid.
De afwezigheid van discipline en deugdzaamheid wordt al duidelijk uit de
scheef staande muts, het ontbreken van sokken en schoenen, de vieze kleren,
de korte broek die duidelijk het restant is van een lange broek waarvan
thuis de pijpen zijn afgeknipt, de te korte mouwen, het smerige gezicht
en de gemelijke en ongehoorzame gelaatsuitdrukking. De boodschap voor de
beoogde lezer van het jaarverslag is duidelijk: alle elementen van het beeld
komen samen om een voorstelling op te roepen van `Verwaarlozing'. Hier zag
men nu de problematische `ruwe grondstoffen' waar de staat mee moest werken.
Op de tweede foto worden de effecten van overheidsinterventie op tal van
manieren overgebracht. De hoed staat symmetrisch op het hoofd van de jongen,
de kleding is duidelijk van betere kwaliteit, inclusief het witte boordje,
de sokken en schoenen, de mouwen van juiste lengte en de knopen op zijn
korte broek. Naast de jongen ziet men enige bagage, die erop wijst dat zijn
leven belangrijker is geworden, dat hij nu enig eigen bezit heeft vergaard
waaraan hij, zo mogen wij hopen, voldoende gehecht is om er zo behoedzaam
mee om te springen dat hij het niet kwijt raakt, omzichtig genoeg, in elk
geval, om de goede raad van wie ouder en wijzer zijn niet in de wind te
slaan. Zijn leven is nu `gewichtiger', steviger, dieper verankerd in de
wereld van de dingen en daardoor in de wereld van de menselijke sociale
relaties. Hij is opgesteld voor de deur van een soort huis of gebouw; het
doet er niet toe wat het precies is, want wat we zien en voelen is een verbondenheid
met wat binnenskamers is, net zoals de bagage het leven van de jongen verankert
in een stabiele sociale context, waar een fundamenteel onderscheid wordt
gemaakt tussen de publieke sfeer en de privé sfeer. Alle lezers van
het jaarverslag zullen ervan doordrongen zijn geweest, dat dit nu precies
het probleem was in het gezinsleven van zo veel straatkinderen, de afwezigheid
van een `thuis', het ontbreken in hun leven van intieme huiselijkheid.
Hoe vond deze transformatie plaats? Naar we mogen veronderstellen door de
ervaring van onder de hoede van de staat te zijn geplaatst, door een aantal
invloeden die uitgeoefend werden op de persoonlijkheid van deze jongen,
zelfs op zijn lichaam, door een soort civilisatieproject dat hem van de
ene toestand naar de andere verplaatste. Het gaat om de waarlijk buitengewone
ambitie om een menselijk wezen te herscheppen, om welbewust en weloverwogen
deze jongen om te vormen van het ene soort persoon tot het andere soort
en wel door de pure kracht van wil, intelligentie, scherpzinnigheid en begrip.
Dit was geen civilisatieproces, dit was een civilisatieproject, en op hoger
niveau bezien was het een onderdeel van een civilisatie-offensief, bedoeld
om tot stand te brengen wat het sociale leven zelf niet vermocht, althans
niet snel genoeg.
Maar wij blijven achter met meer vragen dan antwoorden. Is het warschijnlijk
dat deze transformatie werkelijk plaats vond? Wat gebeurde er met de hoed,
de schoenen, de nette kleren en de bagage, toen de fotograaf zijn apparatuur
weer inpakte? De meeste historische gegevens wettigen de veronderstelling
dat ze terug gingen naar waar ze vandaan kwamen, klaar om weer te voorschijn
te worden gehaald voor de volgende voorstelling van de goede werken van
de Raad voor de Kinderzorg. We hebben hier, anders gezegd, veeleer een afbeelding
van een civilisatie-ambitie, van een wil tot disciplineren, dan van wat
zich werkelijk moet hebben afgespeeld in het leven van deze jongen. Voor
wie nadenkt over hoe zijn latere leven zal zijn verlopen doemen tal van
mogelijkheden op. Misschien is hij wel opgenomen in een vriendelijke pleegfamilie,
leerde hij een vak, werd hij al op jeugdige leeftijd leerjongen en leidde
hij daarna een gelukkig en productief leven, waarin hij nog vaak met blijdschap
terugdacht aan zijn kindertijd onder de hoede van de staat, het begin van
zijn ontwikkeling van schoeiselloosheid naar beschaafdheid. Maar het kan
ook zijn dat hij voortdurend geslagen werd, eerst binnen een instelling,
die geleid werd door oud-onderwijzers, later door zijn dronken pleegvader.
In zijn pogingen om hieraan te ontkomen heeft hij zich misschien ingelaten
met kleine misdaden en is hij zo terecht gekomen in het strafrechtsysteem,
waaraan hij zich nooit meer langdurig heeft weten te onttrekken.
Deze twee foto's laten mij zitten met de vraag wat nu eigenlijk de relatie
is tussen deze twee dingen: aan de ene kant de wil om te civiliseren, de
wens om te verbeteren, ontwikkelen, onderwijzen, schoonmaken, disciplineren,
beheersen, reguleren, ordenen, gepaard gaande met de daarbij behorende administratieve
structuren, apparaten, technieken en praktijken. Aan de andere kant dat
wat werkelijk plaatsvond in de levens van mensen die verwikkeld raakten
in zulke beschavings-offensieven, de mate waarin hun levensloop min of meer
overeenstemde met de uiteindelijke bedoelingen van de civiliseerders of
juist in een volstrekt andere richtingen ging, dikwijls met heel andere
uitkomsten dan de beoogde. Deze jongen ziet er op de tweede foto beslist
niet gelukkiger uit. Iemand datgene willen laten ondergaan waarvan deze
foto's ons proberen te overtuigen dat het echt zo is gebeurd, welk effect
heeft dat in werkelijkheid op iemands leven? Is het hybris?